Pagina's

maandag 7 februari 2011

Cursus natuurgidsen, afsluiting


Ongeveer zes maanden geleden schreven negentien deelnemers zich in voor deze cursus, georganiseerd door het reservaat Cotacachi-Cayapas en ECASSEF en met de medewerking van het ministerie van milieu.

Vandaag ontvingen tien van hen hun diploma en licencie, dit is het officieel bewijs zodat ze als natuurgids kunnen werken.

Met deze groep hebben we een lange weg afgelegd. Sommigen onder hen hebben alleen de basisschool afgemaakt, andere enkele jaren middelbaar onderwijs, twee beëindigden hun middelbare studies. Het was ook een zeer heterogene groep qua leeftijd: de jongste deelnemer was 16 toen hij begon, de oudste 52. Er waren slechts drie vrouwen en de rest mannen, allen indigena, waarvan er één deelnemer haar eigen Kichwa niet meer machtig was.

We zochten lesgevers en vonden die met hulp van het reservaat, de universiteit Otavalo, het ministerie van toerisme en we brachten zelf ons steentje bij op gebied van Engels en fauna en flora.

Enkelen begonnen aan de cursus met een air van: dat varkentje zullen we eens gauw wassen, ... het waren de eerste die afvielen. Anderen dachten: we hebben betaald voor de cursus, dus we krijgen ons diploma! Toen bleek dat ze voor 90% van de lessen moesten aanwezig zijn, haakten dezen ook af. De laagstgeschoolden hielden vol. Alberto zei na enkele maanden dat hij nu al beter kon lezen en dat hij het leuk vond om te mogen leren. Taita José verwonderde zich erover dat de aarde al langer bestaat dan 2000 jaar. Hij, als catechist van zijn dorp, vond het maar niets te moeten horen dat de mens genetisch niet zo ver van de aap afstamt en allen vonden ze het zeer raar dat we als mens zelfs raakpunten met vogels hebben. Dat niet alle Europeanen Engels spreken, was ook een nieuwtje, dat ze de condor levend konden bekijken in het condorpark overweldigde hen, dat ze samen rond het meer van Cuichocha wandelden en hun middagmaal met elkaar deelden, versterkte de samenhang. Velen zetten voor de eerste keer in hun leven een stap in een museum. Na de eerste les geologie bracht Jorge in zijn rugzak zijn zware verzameling stenen mee naar de les. Ernesto brak bijna zijn tong over de Engelse uitspraak. Laura dacht dat ze het nooit ging halen. Christina was blij dat ze na het middelbaar toch nog iets kon bijleren, want financieel was het niet mogelijk voor haar om verder te studeren. Julio, een van de jongste deelnemers, die na de basisschool naar Chili was gegaan om te werken, en die na vijf jaar teruggekeerd was naar zijn ouders, volgde niet alleen de cursus voor natuurgidsen, maar tijdens de week ging hij ook naar school om in een speciaal programma in één jaar het lager middelbaar onderwijs te volgen.

Elke zaterdagnamiddag en elke zondagvoormiddag vier uur les voor mensen die zich nog nooit zo lang aan één stuk moesten concentreren, was voor velen een grote inspanning. Geëvalueerd worden over hun kennis en hun inzet zorgde voor zenuwen. Op de uitstappen die we organiseerden, leerden ze hun provincie beter kennen en ondervonden ze dat ze in de praktijk ook heel wat wisten, over de culturele tradities bij voorbeeld en over de geneeskrachtige planten die in het wild voorkomen.

We werden ook geconfronteerd met moeilijke zaken: eerst kwam Laura een bewijs vragen van het inschrijvingsgeld voor de cursus, dat 20 dollar bedroeg, want haar ex dreigde de alimentatie voor haar kind in te trekken, hij betaalde niet voor dure cursussen voor zijn ex-vrouw waarmee ze dan veel geld mee zou verdienen! Ook Alberto kreeg het moeilijk, want reeds vijf jaar staat hij alleen in voor de zorg van zijn vier kleine kinderen, die hij tijdens de cursus overdroeg aan zijn ouders en zijn jongere zussen. Hij kreeg het verwijt dat hij niet goed genoeg voor zijn kinderen was en men dreigde zelfs om hen allemaal de deur uit te zetten, dat hij maar ergens anders moest gaan wonen en werken. Niettegenstaande het onbegrip bij zijn familie, hield hij toch vol.

Anderzijds hadden we ook discussies met het ministerie van milieu over de inhoud van de cursus. We dachten dat die inhoud goed omlijnd was, maar ondervonden beetje bij beetje dat dit gewoon afhing van elke lesgever, die zelf zijn of haar uren invulde. We moesten o.a. basis Engels geven in 24 uur, een onmogelijke zaak. Ook de zeer uitgebreide materie fauna en flora was moeilijk om in een beperkte tijdspanne te geven aan dit publiek. In de plaats van hun hoofd vol te stoppen met moeilijke informatie, leerden we hen omgaan met zoeken op internet. Voor velen ging een nieuwe wereld open.

Nu hebben dus 10 inheemsen een officieel document waarmee ze mogen gidsen en komen de vragen: Hoe vinden we werk? Wie helpt ons aan klanten? En als ze komen, wat bieden we hen aan? Tijdens de duur van de cursus werd dit aspect regelmatig besproken en algauw werd het voor iedere deelnemer duidelijk dat ze nergens zouden geraken als ze dit allen op hun eentje moeten verwezenlijken. Dus groeide het idee om een associatie van natuurgidsen op te richten, zodat ze in groep kunnen werken. Het onvermijdelijke gebeurde weer eens: men vroeg ons om hiermee te helpen en we werden gebombardeerd tot padrino’s (peetouders) van de groep. Weer eens zijn we taita Juanito en mama Ria geworden, ook al is onze bedoeling dat ze op eigen benen kunnen staan, ...

Vandaag sloten we de cursus af met een kleine plechtigheid. De deelnemers voelden zich wat onwennig om in de belangstelling te staan en om te luisteren naar de vele woorden van bemoediging en erkenning door het ministerie van milieu, de universiteit van Otavalo en ECASSEF. Als afronding greep een communitaire maaltijd plaats, de typische gewoonte dat elk iets meebrengt en dit samen wordt gedeeld: zo vulde de tafel zich met verschillende gekookte maïssoorten, bonen, aardappelen, erwten, rijst en kaas. Het ministerie van milieu droeg zijn steentje bij door niet alleen de drank en dehapjes voor de brindis te verzorgen maar ook om gebraden kip op tafel te zetten en iedereen at rijkelijk van deze gezamenlijke maaltijd.

zaterdag 5 februari 2011

Hoe kan het dat iemand ons een stuk grond in een wijk van Otavalo aanbiedt, op een boogscheut van ons kantoor, en dat we zeggen: “neen, dank je wel,


Rik Decerf, die momenteel als vrijwilliger bij ECASSEF werkt, kwam ons woensdagmorgen vertellen dat hij een Ecuadoriaan ontmoette, die al vijftien jaarin België verblijft en werkt en dat die man ons een stuk grond van vierhonderd vierkante meter wil aanbieden in bruikleen.

Eerste reactie: Hoe kan dit? Wie doet dit zomaar? Waar zit het addertje onder het gras?

Tweede reactie: Als dit waar is, wat kunnen we er dan mee doen?

Derde reactie: Dan willen we wel eens een praatje maken met deze meneer.

Raar maar waar, op het eerste zicht zit er geen addertje onder het gras en is die meneer wel iemand die het goed meent. Hij heeft een stuk grond gekocht voor zijn ouders, die in de bergen wonen, voor het geval dat ze er willen komen wonen als ze oud zijn en hulpbehoevend. Ze zijn oud en hulpbehoevend, maar ze willen het bergdorp, waar ze heel hun leven gewoond hebben, niet verlaten om in de stad te gaan verkommeren. Dus het lapje grond ligt er, nu al tien jaar, zonder dat er iets op gebeurt, met uitzondering van het onkruid, dat er weelig tiert.

Zou het dan niet beter zijn dat we er met ECASSEF iets op doen? Misschien ja, maar wat dan? We zaten een hele tijd met z’n vieren aan tafel: Rik, Sandra, Jean en ikzelf om ons hoofd te breken over deze vraag. Er kwamen verschillende scenario’s aan bod:

1. Productie van een landbouwgewas? Mmm,... dan heb je ook water nodig, de grond moet klaargemaakt worden, een tractor inhuren of handenarbeid? Wat zaaien of planten dat op korte termijn opbrengt? Kosten-batenplaatje negatief voor elk gewas dat we konden bedenken, dus ... idee van de baan geschoven.

2. Een plaats om een markt in te richten voor de landbouwgemeenschappen rond Otavalo, waar ze rechtstreeks aan de klant hun verse producten kunnen verkopen? Dan moet je eenvoudige kraampjes maken, wat een betaalbare zaak is, dan moeten de producten er bewaard kunnen worden, dus heb je een bewaker nodig, dus een huis waar die in kan verblijven, en zouden er kopers zijn die zich naar deze markt willen begeven? Zeer twijfelachtig, dus... volgend idee verworpen.

3. Wat we eigenlijk in de nabije toekomst dringend zullen nodig hebben is een opslag- en verkoopplaats voor landbouwproducten: quinua, amaranto, bonen, granen, veevoeder, koffie ... want we staan in contact met tal van landbouworganisaties die geen blijf weten met hun productie. We zouden ze kunnen verwerken tot verschillende veevoeders en verkopen, daar is wel vraag naar, ... Maar dan heb je een opslagplaats nodig, dus moet je die bouwen, heb je water en elektriciteit nodig, een bewaker en een woning, ... zodat de investering hiervoor niet min is. De verkoop zou de kosten kunnen dekken. Het is wel een goed idee.

4. Zouden we er een werkplaats kunnen installeren, voor houtbewerking bij voorbeeld? Waar we verschillende voorwerpen kunnen laten maken die dienen voor onze eigen projecten en waar we jongeren kunnen opleiden in houtbewerking? Maar... dan hebben we weer te maken met de factor veiligheid. Machines achter laten zonder bewaking, kan niet, dus heb je weer een bewaker nodig, of een gezin dat er woont en dat hiervoor instaat, dus zelfde kosten als idee twee, ... dit gaat niet door.

Na veel wikken en wegen, kozen we voor idee drie, maar op voorwaarde dat we een ‘comodato voor minimum zes jaar’ konden krijgen. En dít is nu juist het punt waarop we niet tot overeenstemming kwamen, de man wou alleen een contract maken voor drie jaar, dat telkens verlengd kan worden. Dat betekent: alle investeringen voor ECASSEF, en de kans dat we na drie jaar niet verder kunnen met het project. De keuze was vlug gemaakt: het gaat niet door, dan doen we maar niets met de grond. We kunnen ons niet permiteren om subsidie en/of fondsen te zoeken voor iets wat ons heel weinig zekerheid geeft dat het schoon liedje lang zal duren.

Zijn we te pessimistisch of alleen maar zeer realistisch?

Dank je Rik voor het contact, dank je meneer van Otavalo die in België werkt voor het aanbod, maar jammer genoeg kunnen we hier niet op ingaan.