Pagina's

dinsdag 29 maart 2011

Uitnodiging benefiet


Beste vrienden,

Sommigen kennen ons van een ontmoeting gedurende een inleefreis of een andere reis in Ecuador, anderen hoorden via via over ons, nog anderen kennen ons nog van toen we nog in België woonden, ... Velen onder jullie werden ooit getroffen door onze verhalen over dit land, dat nu bijna dertien jaar lang ons tweede thuisland is geworden. Sommigen werden peetouders en hebben een band met een Ecuadoriaans kind of jongere, die zonder jullie hulp geen kans zouden hebben om te studeren. Anderen volgen al jaren lang onze ervaringen die we meedelen via nieuwsbrieven of weblog.

Stond je ooit aan de hoogste schuilhut op de majestueze Chimborazo? Herinner je nog de geuren en de kleuren van de zaterdagmarkt in Otavalo? Weet je nog hoe de enorme bultrugwalvissen uit het water opsprongen in de Stille Oceaan? Werd je diep beroerd door een bezoek aan Rushitamo of het verhaal van het straatkind Alfredo Oyagata?

Misschien drukken onze en je eigen ervaringen een stempel op je kijk op ontwikkelingswerk of veranderde je levensweg hierdoor. Vanuit deze invalshoek doen wij een oproep aan jullie allen.

Tine, die een jaar bij ons verbleef, wou bij haar terugkeer in België iets doen voor onze organisatie. Zo organiseert ze samen met de Vriendenkring een benefiet ten voordele van ons bakkerijproject, op zaterdag 7 mei in Gent om 19u30. Je krijgt er 2 optredens voor de prijs van 1 en Tine speelt zelf mee in het hoofdoptreden. Verdere info vind je op de flyer in bijlage.

Je bent er hartelijk welkom met vriend, vriendin, partner, familie, kennissen, ...

Zelf zullen we er helaas niet bij kunnen zijn op 7 mei. We sturen alle aanwezigen onze groet, waardering en welgemeende dankbaarheid vanuit Ecuador.

Nog wat info omtrent het bakkerijproject:

Wist je trouwens dat:

  • via de bakkerij de kinderen uit de Pestalozzischool in Otavalo de kans zullen krijgen om brood te leren bakken?
  • de bakkerij als leslokaal zal gebruikt worden om cursussen “brood en gebak“ te geven aan de inwoners van de verschillende communiteiten van San José de Quichinche?
  • de bakkerij als pilootproject zal dienen om de lokale economie te verstevigen door een microbedrijf op te starten en het te begeleiden tot zelfstandigheid?
Zoals je weet zijn we voor onze werking nog steeds 100% afhankelijk van donaties.

Wist je dat we voor volgende projecten nog fondsen zoeken?
  • Voor een bibliotheekklas in Cambugán, waar de kinderen de ervaring kunnen opdoen om in een knusse omgeving te genieten van een boek; vraag komt van de leerkrachten van de basisschool in Cambugán, die via een scholenband verbonden zijn met de H.Familie school te Izegem;
  • Voor het (her-)bebossen van natuurlijke bronnen, zodat deze met de tijd niet opdrogen (waardoor de dorpen watergebrek zouden kennen); vraag komt van Marcelo Pantoja, de ex-directeur van het reservaat Cotacachi-Cayapas;
  • Voor de strijd tegen ondervoeding, want in Gualsaqui en omgeving neemt dit fenomeen verontrustende afmetingen aan. 90% van de kinderen tussen 0 en 5 jaar zijn er matig tot ernstig ondervoed (cijfers van 17 maart 2011); vraag komt van het gezondheidscentrum te Gualsaqui;
  • Voor het behoud en herwaardering van tradities en kennis van de inheemse bevolking, (bijv. ivm de medicinale kruiden); vraag komt van de dorpen uit San José de Quichinche die vorig jaar deelnamen aan een eerste fase van het project;

Mocht je ons kunnen helpen om de deur te openen bij een Rotary- Lions- of Kiwaniclub in je buurt, dan geef je ons maar een seintje en sturen we de informatie door die kan leiden tot projectsteun.

Met hartelijke groeten,

Muchas gracias, pay!!!

Hasta luego, chao, kaya kama!!!

Jean en Ria

Sandra en Angélica

zondag 20 maart 2011

Ontwikkelingssamenwerking in het Zuiden: zin of onzin?


Al rondneuzend op internet kwam ik toevallig op het bericht dat er op 24 februari 2011 in de gemeente Essen door de jeugddienst en dienst Internationale Samenwerking een avond werd georganiseerd rond dit thema. Nog toevalliger (of niet?) ben ik al lang aan het broeden op een artikel over dezelfde vraag in iets ruimere zin dan: ‘Ontwikkelingswerk, of ontwikkelingssamenwerking, voor zover die vlag de lading tenminste dekt, zin, onzin of waanzin’? Met die vraag word ik haast dagelijks geconfronteerd. En weer eens een toeval dat zoon Steven in Essen op het gemeentehuis werkt en ons het een en ander vroegen over vrijwilligerswerk en ontwikkelingshulp, dus... schrijven maar.

Wettelijk bestaat ECASSEF sinds 2003, al twee jaar eerder begonnen we met deze organisatie. We waren vol goede ideeën, dachten we toen althans, vol energie en vol goede moed. We stichtten ECASSEF omdat er ons zoveel mensen hier hulp vroegen op allerlei vlak. Door onze kennis van allerlei zaken, die we meebrachten van uit onze brede opleiding in het Westen, of in deze context beter gezegd in het Noorden, wisten we op de meeste vragen een antwoord te formuleren. We ondervonden zeer vlug dat individuele hulp tot niets leidde, namen onze verantwoordelijkheid op en begonnen een stichting. Waar we het geld vandaan zouden halen om te werken, wisten we toen nog helemaal niet, maar beetje bij beetje slaagden we er in om mensen uit onze vriendekring en familie warm te maken om hun steentje bij te dragen en zo kregen we de eerste fondsen bijeen.

ECASSEF is een letterwoord en staat voor: Ecuadorian Cultural, Anthropological, Social, Scientific and Educational Foundation. De naam en de werking zien we zeer ruim omdat elk probleem gekoppeld is aan een ander. Zo kunnen we werken op gebied van cultuur, antropologie, wetenschappelijk en sociaal werk en onderwijs.

ECASSEF werkt enkel en alleen vanuit de vragen van de doelgroepen, steeds de eigenheid, de cultuur en de gewoonten van de mensen respecterend. Wij schuwen paternalisme.

Onze projectwerking bestaat uit ‘samen groeien’, samen een proces doorlopen. We zien dit meer en meer als integrale processen waarin het educatieve, sociale en productieve met elkaar verweven zijn.

We ondervonden dat als je maar één facet van een probleem aanpakt, het project op zich wel kan slagen; maar hierdoor niets verandert aan de levenssituatie van de bevolking. Als je bijvoorbeeld een eetzaal bouwt op een school, betekent dit niet dat deze ook als dusdanig gebruikt wordt, dat ze dagelijks onderhouden wordt, dat ze hersteld wordt als er iets stuk is of dat de kinderen gezond eten op school.

Een eetzaal bouwen, een computer schenken, voor allerlei infrastructuur en/of materiaal zorgen zijn slechts onderdelen van een groter geheel.

Ondertussen zijn we ongeveer 10 jaar bezig en stelden we ons zeer vaak de vraag of het zin heeft wat we doen.

De resultaten zijn vaak niet meetbaar. De vragen waarmee we onszelf steeds confronteren zijn o.a. ‘Wie zijn wij, die aan de andere kant van de wereld geboren zijn, om deze wereld proberen te veranderen? Willen de mensen hier werkelijk verandering, weten ze welke weg ze daarvoor moeten afleggen en willen ze die weg wel afleggen? Waar heeft armoede werkelijk mee te maken? Met een geestelijke armoede? Met politieke onderdrukking? (houdt ze arm, dan hebben wij meer macht)? Als we er in slagen om materieel iets te realiseren, vb voor de infrastructuur zorgen van een project, dan zou je kunnen zeggen dat we hierin slaagden; maar als er daarna met die infrastructuur niets gebeurt, ... wat dan? Als wij begrippen als duurzame ontwikkeling nastreven, maar de vragende partij is zich daar helemaal niet van bewust en wil andere zaken, ... hoe moeten we hier op reageren?’

De werkelijkheid leerde ons dat er geen kant-en-klare antwoorden bestaan en dat de problematiek veel ingewikkelder is dan we konden inschatten. Misschien verduidelijke volgende voorbeelden dit.

De vrije markt in het dorp Gualsaqui waarvan de bedoeling is dat de producent zijn waren rechtstreeks aan de consument kan verkopen tegen een eerlijke prijs, funcionneerde zo lang dat iemand van ECASSEF, in dt geval ikzelf dus, het hoofd was van het comité. Van zodra ik die taak doorgaf aan iemand anders, ging het achteruit met de markt, tot die doodbloedde. Er zijn wel commentaren in het dorp van mensen die willen dat de markt terug opgestart wordt, maar niemand wil er de verantwoordelijkheid van opnemen. Zin of onzin van dit project?

De schoolmoestuin in Gualsaqui kwam er op vraag van de school en wordt uitgewerkt door ECASSEF samen met de plaatselijke basisschool. Zelf sta ik elke woensdag met de kinderen van de zevende klas op het veld. In kleine groepjes zaaien we, onderhouden we de groentenbedjes en oogsten we. Klinkt mooi, maar ik ben er zeker van dat als ECASSEF zich terugtrekt met vrijwilligers en stagiairs, het initiatief stilvalt. De school wil het project graag gebruiken als uithangbord: ‘zie eens hoe vooruitstrevend we zijn!’, maar wil niet zelf het project in handen nemen.Met mijn vraag in september 2010 om de ouders meer te betrekken bij het project, sta ik nog altijd in de kou. Het is de bedoeling dat er thuis gezonder gegeten wordt, dat de ouders zien dat met wat goede wil en met weinig investering ze zelf in staat zijn om dit te doen door een kleine moestuin aan te leggen en te onderhouden. De cijfers over ondervoeding in het gezondheidscentrum van het dorp, zijn echter schrijnend. Zin of onzin van de schoolmoestuin?

De associatie Rushitamo hebben we jarenlang begeleid in een proces naar zelfstandigheid, zodat de leden aan plattelands toerisme kunnen doen, vanuit hun dorpsgemeenschap. We probeerden hen het begrip eerlijke handel bij te brengen in de verkoop van hun artesanale producten, maar we zien dat hun verkoopprijzen hen geen minimuminkomen verzekert . De groep richt zich eerder naar goedkoop verkopen op allerlei binnenlandse markten, dan dat ze de kwaliteit van hun producten verbetert en probeert een rol te spelen op de internationale markt. Zin of onzin?

Ecuador is een land vol contrasten, met hoogten en laagten zoals we ons nooit konden indenken. We doen wat we kunnen, maar op zijn minst doen we er wat aan, het blijft niet bij praten alleen en daar gaat het om. Heeft het zin wat we doen? Is het allemaal onzin? Of zijn we bezig met waanzin? Je zegt het maar, ....

Hasta Luego, of Kaya kama, zoals de Kichwas zeggen.

Ria Stragier- Delaere

Waarom de kleine koffieboer in Intag het moeilijk heeft


Reeds lang vraag ik me af hoe het toch komt dat wie koffie produceert in Ecuador, daar niet kan van leven, niettegenstaande koffie een relatief duur landbouwprocuct is op de internationale markt.

Beetje bij beetje kom ik er achter hoe de vork aan de steel zit in bij de koffieproducenten in de zone van Intag, gelegen in het noordwesten van de provincie Imbaburra. Om inzicht in de situatie te krijgen, heb je wat achtergrondsinformatie nodig. Intag is een zone die tussen het Andesgebergte en de Ecuadoriaanse kust ligt. De regio begint in het nevelwoud en spreidt zich verder uit naar lager gelegen subtropische gebieden. Intag maakt deel van het reservaat Cotacachi-Cayapas, dat 205.000 ha beslaat. De bodem van het gebergte is er zeer rijk aan mineralen en ertsen. Er is onder andere een grote voorraad kopererts ontdekt en daar komen grote multinationals op af.

Zo kwam het Canadees bedrijf Ascendant Copper, dat opgericht werd in 2005, in Ecuador met de bedoeling om het koper in Intag te ontginnen. Om bij de bevolking van de zone op een goed blaadje te komen, organiseerde het bedrijf een aantal activiteiten die kaderen in ‘sociale ontwikkeling’.

In december 2006 vond een ernstige confrontatie plaats tussen voor- en tegenstanders van de mijn en werden 56 werklui gedurende een week gegijzeld in een kerk.

In de loop van 2007 probeerde Ascendant Copper van het ministerie van milieu de toestemming te krijgen om te mijnen. Hiervoor echter was een studie nodig over het impact van de kopermijn op het milieu. Tegenstanders uit de zone verhinderden de studie. Eind september werd de mijn stilgelegd door het gemeentebestuur van Cotacachi.

In de regio bestaan er twee associaties van koffieproducenten: AACRI (associatie van artesanale koffieproducenten aan de Intag rivier)en APCI (associatie van koffieproducenten in Intag) . De eerste is de grootste en wordt gesteund door het gemeentebestuur van Cotacachi en door het provinciaal bestuur van Imbabura. AACRI koopt koffie op en verkoopt die door. Het bestuur bepaalt de prijs van de opgekochte koffie en hanteert verschillende prijslijsten: aan haar leden betaalt ze de hoogste prijs, aan andere producenten betaalt ze minimum 30% minder. De leden moeten dezelfde politieke gezindheid hebben, wie hiermee niet akkoord gaat, wordt als lid uitgesloten. Dit heeft als gevolg dat verschillende producenten AACRI verlaten hebben en sindsdien geen markt meer hebben voor hun koffie.

Ascendant Copper speelde in op deze verdeeldheid tussen de koffieboeren en onder de mom van ‘hulp aan sociale ontwikkeling in de zone’, hielp het bedrijf om de individuele koffieproducenten te vereningen onder een nieuwe associatie genaamd APCI. Ascendant Copper was de grote weldoener voor deze boeren, want het bedrijf nam een advocaat in de arm om de statuten op te stellen, zodat APCI hierin niets moest investeren. Dat deze statuten een hoop tegenstrijdigheden bevatten en alle macht toeschreven aan een uitvoerend directeur, terwijl de andere bestuursleden niets te zeggen hadden, daar viel niemand over, want de ongeschoolde koffieboer verstond geen ‘statutentaal’ en niemand gaf er uitleg over. Het was heel eenvoudig om een groot aantal leden bij elkaar te krijgen, want Ascendant Copper nam de kosten op zich van transport, zodat over een groot gebied de uitnodigingen konden versrpreid worden, en de leden niet alleen gratis vervoer kregen om naar de vergaderingen te komen, maar er ook van een gratis maaltijd konden genieten.

Daarenboven had APCI geen eigen kapitaal nodig om koffie te kopen van haar leden. Daar zorgde Ascendant Copper ook voor. Dus kon APCI onbeperkt koffie kopen aan een vaste prijs. Ook kreeg de associatie een loon uitbetaald voor iemand die de administratie op zich nam.

Maar heel dit scenario viel uit elkaar toen Ascendant Copper de mijn verliet. Van de ene dag op de andere vielen alle voordelen voor APCI weg: geen vergoedingen meer voor administratie, transport, maaltijden en nog erger: geen geld meer om koffie te kopen. De multinational had de koffieboeren volledig van haar afhankelijk gemaakt. AACRI maakte gretig gebruik van deze situatie en boycotte hun concurrent APCI waar het enigzins mogelijk was, zodat er zelfs geen koper meer was voor de koffie.

APCI zat met de handen in het haar en probeerde zelf een weg te vinden door contact te nemen met Fapecafés in Loja. Daar konden ze hun koffie verkopen, maar met hoge transportkosten, want Loja ligt helemaal in het zuiden van het land terwijl Intag in het noorden ligt, en tegen veel lagere prijzen, want de kwaliteit van de koffie was zogezegd niet goed genoeg. Met privékapitaal van enkele leden werd nu de koffie gekocht, de winst van de verkoop ging dan ook naar hen en APCI zelf bleef in de kou staan.

Ondertussen zochten de bestuursleden een nieuwe koper en vonden die in Quito bij café Galetti. Hier kregen ze een betere prijs voor de koffie dan in Loja. De eigenares van café Galetti zond een hoeveelheid koffie naar een wedstrijd en APCI viel hiermee in de prijzen en kreeg een koffiepelmachine cadeau. Dit zet je aan het denken als je dit resultaat vergelijkt met wat men in Loja gezegd had over de kwaliteit van de koffie.

Twee jaar nadat Ascendant Copper vertrok is APCI zeer verzwakt. De leden beseffen nu hoe afhankelijk ze waren, hoe hun statuten en hun inwendig reglement zich tegen hen keren, hoe weinig ze kunnen doen zonder hulp van buitenaf. Verschillende boeren verkopen hun koffie weer aan AACRI, aan een lage prijs, maar voor hen is alles beter dan ermee te blijven zitten. ECASSEF probeert de overgebleven leden te helpen bij de hervorming van de statuten en het inwendig reglement, door cursussen te organiseren zowel in administratieve thema’s als in kwalitatief verbeteren van de koffieproductie, door fondsen te zoeken om koffie op te kopen, door contacten te leggen met kopers en een eerlijke prijs te bedingen, dit alles met hulp van de provincie Oost-Vlaanderen, waar ECASSEF projectsteun vroeg en kreeg voor de koffieboeren in de streek van Intag.

Er is echter nog een lange weg te gaan en externe hulp zal nog enkele jaren nodig zijn vooraleer APCI op eigen benen kan staan. De afhankelijkheid waarin ze eerder verkeerden, mag in geen enkel geval terugkeren, dat beseffen de leden maar al te goed!